Systemisch fenomenologisch waarnemen

Systemisch fenomenologisch waarnemen
Bij systemisch coachen werk je met informatie. Die informatie neem je waar. Fenomenologisch waarnemen is dat wat tot je komt ‘voor waar nemen’, zonder oordeel, zonder interpretatie, puur als informatie. 

Je hebt je waarnemingsvermogen en je intuïtie om op af te gaan. Juist deze vermogens heb je nodig bij het systemisch coachen, met wat basiskennis over hoe systemen werken. Er valt heel veel waar te nemen. Aan wat je ziet en hoort aan de cliënt, aan hoe -via de cliënt- het systeem ‘spreekt’.  Aan hoe jij de relatie, die je met je cliënt en zijn systeem op dit moment hebt, beleeft. En aan je eigen lichamelijke reacties. 

Wat je ziet en hoort aan je cliënt
De allereerste indruk die je krijgt van een cliënt geeft vaak al alle informatie die nodig blijkt voor het coachproces. We zien het alleen meestal pas achteraf. En ook alleen als je bewust reflecteert op de vraag wanneer de informatie zichtbaar werd.  

De kunst is om zoveel mogelijk waar te nemen, zonder dat je nog iets hoeft met die waargenomen informatie. Sla de informatie op in bijvoorbeeld een denkbeeldig open kastje, zodat de verschillende informatie elkaar, via jou kan vinden als het moment daar is. Als je niets hoeft met de informatie, kan je het ook veel makkelijker waarnemen. 

Je hoeft niet te interpreteren, je hoeft je niet bezig te houden met wat dat gedrag betekent, je hoeft niets te weten van de inhoud waar de cliënt over vertelt. Je hoeft je alleen maar open te stellen voor je cliënt, voor wat hij zegt en met zich meeneemt. Dat vraagt het afleren van: goed willen begrijpen, interpreteren, herkaderen en herformuleren, empathisch luisteren, in rapport gaan en het zoeken naar een oplossing voor de cliënt.  

Bij waarnemen kan je op de volgende aspecten letten:

Fysiologie
Wat drukt het lichaam van de cliënt uit? Loopt het sterk te zijn, torst het een last, maakt het zich groter of juist kleiner, hoeveel ruimte neemt het in, hoe gaat het om met jouw ruimte en grenzen, kan het zijn plek vinden of is het afwachtend waar een plek overblijft? Klopt dit lichaam met je verwachting van je cliënt, bij de stem, of bij de vraag van je cliënt? 

Handdruk
Steviger/slapper dan je verwachtte, een contact makende handdruk of een contact vermijdende handdruk? Welke associaties/welk beeld kreeg je bij de handdruk? 

Gezicht van de cliënt
Zie je meer een oude man/vrouw of een jonge man/meisje/ Klopt de leeftijd met wat je ziet? En is dat steeds zo, of zie je soms een oudere man/vrouw en soms een jonge man/meisje? En zo ja, op welke momenten verandert dat? 

Zie je ook een man als je naar een vrouw kijkt, of ook een vrouw als je naar een man kijkt? En als je je blootstelt aan je cliënt en zijn achtergrond; welke ouder is dan meer op de achtergrond en welke meer in beeld? Is het gezicht helemaal aanwezig, of zie je een deel van het gezicht onscherp? Kijken de ogen naar buiten of meer naar binnen? Verschilt dit per moment of per gespreksonderwerp? Lijkt het alsof de cliënt een masker op heeft?

Wat verandert er in de gezichtsuitdrukking op het moment dat je ter zake komt? Wanneer gaat de cliënt stralen, wanneer dooft er iets uit? Klopt het glimlachen, stralen, dan wel ‘uitdoven’, met de inhoud van de boodschap?

Ademhaling
Wanneer stokt de adem, wordt deze dieper, oppervlakkiger, hoger, …?

Tonaliteit
Op welke momenten verandert de stem: in toonhoogte, in volume, in kracht of levendigheid, snel of langzaam? Hoor je de cliënt in de huidige leeftijd spreken, of meer als een kind, of juist als een ouder iemand? 

Taalgebruik
Gebruikt iemand taal van deze tijd of van vroeger? Taal van zijn eigen leeftijdsgroep? Spreekt de cliënt geassocieerd, gedissocieerd, veel in ‘wij’ en ‘zij’ of ‘jullie?’ In verleden tijd of tegenwoordige tijd? In ‘moeten’, in ‘mogen en niet mogen’, in ‘willen’, in ‘kunnen’, in ‘zullen’, in ‘gaan’, in ‘doen?’ 

Hoe het systeem via de cliënt ‘spreekt’
Soms merk je dat je aandacht wordt getrokken naar wat juist niet verteld wordt, of wat er tussen de regels door naar je lijkt te roepen. Je kan je erop trainen om ook te luisteren naar wat verteld wil worden, maar niet verteld wordt. Je kan je voorstellen dat je ene oor hoort wat de cliënt je vertelt en dat je andere oor het tegenovergestelde hoort. Of hoort wat er juist niet uitgesproken wordt. Als je je opent voor de compleetheid van systemen, dan hoort dat andere oor als gauw dat wat het geheel compleet zou maken. Bijvoorbeeld: de cliënt vertelt van alles over de moeder, dan hoort het andere oor de afwezigheid van de vader in dit verhaal. 

Soms ‘hoor’ of ‘zie’ je echter ook in het verhaal van de cliënt hoe het systeem in alle gebeurtenissen de compleetheid probeert te herstellen. Of hoe symptomen de functie op zich hebben genomen om de gaten van een systeem te dichten. 

Soms hoor je een zin die je opvalt en waarvan je je kan afvragen waar in het systeem deze zin eigenlijk thuishoort of thuishoorde.

De relatie tussen jou en de cliënt (en zijn systeem)
Hoe beleef je de afstand tussen jou en de cliënt, is er een lichamelijke reactie van jezelf, of van de cliënt daarop merkbaar? Welke (lichamelijke) reacties ervaar je bij jezelf als de cliënt dichterbij komt of afstand neemt? Ervaar je een reactie van jouw lichaam zodra je denkt aan deze cliënt, of zodra je in de buurt bent? De neiging tot contact, de neiging om je te sluiten, krijg je de neiging om voorzichtig te zijn, of word je bang, stel je je defensief op? Krijg je de neiging om in competitie of machtsstrijd terecht te komen? Word je actief, passief? Ervaar je jezelf kleiner/groter dan de cliënt? Ervaar je jezelf als leider, of word je geleid door de cliënt? Wat ervaar de tussen jou en de cliënt? 

Het waarnemen van je eigen (lichamelijke) reacties
Hoe verandert/ervaar je je hartslag, je ademhaling? Ervaar je spanning (waar)? Of ontspanning? Rust of onrust? Ervaar je zelfvertrouwen of wantrouwen in jezelf? Bij wat verandert er iets in je lichaam? Sluit je hart zich, opent je hart zich? Ervaar je pijn, verdriet, angst, paniek? Krijg je de neiging om hard te gaan werken en naar oplossingen te zoeken? Krijg je de neiging om voorin je stoel te gaan zitten of achterover te leunen? Krijg je de neiging af te wachten wat er komt? De neiging om in beweging te komen? Heb je het gevoel dat je in het systeem van de cliënt bent of erbuiten? Durf je niet te kijken? Speelt er een doel mee? Zijn er momenten dat je het niet weet? Kan je het ‘niet weten’ toelaten? 

Je kan eindeloos oefenen met alleen je blootstellen aan de cliënt en daarna weergeven wat je allemaal hebt waargenomen. Soms geeft dit al zoveel inzicht dat het de cliënt al in beweging zet!

 

Melding: cookies

Wij en derden, die zich (deels) buiten de EU bevinden, maken gebruik van cookies, om de effectiviteit van advertenties te registreren en te optimaliseren, om onze website te verbeteren, om de website naar behoren te laten werken, om gepersonaliseerde advertenties te tonen op onze websites, en om het verkeer op de website te analyseren. Door op akkoord te klikken, geef je toestemming voor het plaatsen van alle cookies zoals omschreven in onze privacyverklaring.

Cookie instellingen Cookies accepteren