Metamodel - NLP techniek taalpatronen

DOELEN METAMODEL

·       Vergroten van het wereldmodel van de ander

·       Meer informatie verzamelen (meer, concreter, aanvullender)

·       Ontdekken van onderliggende, mentale processen

·       Bullshit detector

·       Van woorden (oppervlaktestructuur) naar onderliggende betekenis (dieptestructuur)

·       Onderlinge afstemming van wereldmodellen

·       Begrip, overeenstemming, empathie


ONBEWUST PROCES 1: VERVORMING

1. Gedachtenlezen
Bij gedachtenlezen plakt de spreker zijn eigen beleving en vermoedens op de buitenwereld. Hij weet zogenaamd wat de ander denkt en handelt hier ook naar, zonder te checken of zijn vermoedens en invullingen kloppen.

Voorbeeld: die collega vindt mij niet leuk.

Uitdaging: hoe weet je dat?

Voorspelling: meer informatie over hoe de spreker tot de conclusie is gekomen en een mogelijke ingang om te checken of het wel of niet waar is.

 

2. Oorzaak-gevolg
Bij oorzaak-gevolg wordt een bepaald gegeven aangeduid dat direct leidt tot een bepaald gevolg. Er is in de beleving van de spreker geen keuze mogelijk en de spreker is slachtoffer van de omstandigheden. Hij wordt machteloos en de controle ligt buiten de persoon. 

Voorbeeld: ik word zo triest van de regen.

Uitdaging: hoe komt het precies dat jij zo triest wordt van de regen?

Voorspelling: je krijgt meer informatie over de innerlijke beleving en hiermee komt een deel van de verantwoordelijkheid en controle terug bij de spreker, waardoor er meer keuzemogelijkheden zijn.

 

3. Samengestelde vergelijking (complexe equivalentie)
Twee elementen worden gelijkgeschakeld.

Voorbeeld: hard werken betekent dat je ’s avonds laat doorwerkt.

Uitdaging: als je een dag op tijd naar huis gaat, betekent dit dat je niet hard hebt gewerkt?

Voorspelling: je gaat expliciet op zoek naar het verband tussen A en B.

 

4. Bronloze vermelding (ook wel: eeuwige waarheid)
Bij de bronloze vermelding wordt een mening verkondigd als een feit. Er is een veralgemenisering van een uitspraak, waardoor deze een algemene geldigheid lijkt te hebben.

Voorbeeld: de files worden langer en langer.

Uitdaging: wie zegt dat? Wie vindt dat?

Voorspelling: de bron wordt weer bekend. Het maakt nogal uit wie deze uitspraak doet voor het bepalen van de geloofwaardigheid.

 

ONBEWUST PROCES 2: GENERALISATIES

5. absolute uitspraken
Absolute uitspraken betreft alles-of-niets denken. Het blokkeert veelal de mogelijkheid om iets te veranderen. De uitdaging bij deze uitspraken is het absolute eruit te halen, waardoor er ruimte ontstaat voor andere mogelijkheden of ervaringen.

Let op woorden als: Iedereen, altijd, nooit, ooit, niemand, etc.

Voorbeeld: iedereen heeft een hekel aan mij.

Uitdaging: iedereen? Is er echt niet iemand die jou aardig/leuk/etc. vindt?

Voorspelling: je krijgt een tegenvoorbeeld waardoor de ander het absolute van zijn uitspraak kan gaan inzien.


6. modale operatoren
Bij een modale operator is er een hulp(werk)woord dat kleur geeft aan het hoofdwerkwoord. Er zijn twee categorieën: 

    1. noodzakelijkheid: moeten, verplicht zijn, zullen, zou moeten. Er is sprake van een bepaalde dwang die meestal van buiten de persoon lijkt te komen. De uitdaging richt zich op mogelijke oorzaken of gevolgen.

Voorbeeld: ik moet dat examen goed voorbereiden.

Uitdaging: wat zou er gebeuren als je dat niet zou doen?

Voorspelling: je krijgt meer informatie over de veronderstelde gevolgen en creëert hierdoor meer keuze of gevoel van keuze. 

    1. (on)mogelijkheid: willen, kunnen, mogen, trachten, hopen. De uitdaging kan zitten in zowel de mogelijkheid als de onmogelijkheid.

Voorbeeld: ik wil dat alles perfect verloopt.

Uitdaging: wat zou er gebeuren als je dat niet zou willen?

Voorspelling:: je krijgt meer informatie over de impliciete gevolgen.


ONBEWUST PROCES 3: WEGLATINGEN 

7. weglating
Er is sprake van weglating wanneer er informatie (on)bewust niet wordt genoemd.

Voorbeeld: ik ben in de war.

Uitdaging: waar ben je van in de war?

Voorspelling: je krijgt meer informatie en het wordt voor de persoon zelf ook minder warrig.  

8. vage aanduiding
Het is onduidelijk naar wie of wat er wordt verwezen. In de uitdaging richt je je op: wie met name, wanneer precies, waarover precies en waar precies. Gebruik geen “waarom”-vragen. 

Voorbeeld: de bedrijfsprocessen moeten beter worden ingericht.

Uitdaging: welke bedrijfsprocessen bedoel je precies?

Voorspelling: je krijgt meer informatie over welke bedrijfsprocessen er niet goed ingericht zijn.

9. nominalisatie
Een nominalisatie is een dynamisch proces dat als een ding of zelfstandig naamwoord wordt weergegeven. Informatie over het proces wordt weggelaten of ontkend. Bij een nominalisatie vraag je als communicator naar het proces dat is omgezet in een ding:

“hoe heb je…”

“wat gebeurt er als…”

“hoe is dat gegaan…” 

Voorbeeld: een carrière vind ik belangrijk.

Uitdaging: wat is voor jou carrière maken?

Voorspelling: je maakt van het zelfstandig naamwoord weer een werkwoord. Hierdoor verkrijg je meer informatie.

10. vage werkwoorden
Bij vage werkwoorden is er sprake van onduidelijke of multi-interpretabele werkwoorden. Het kan zeer functioneel zijn om vage werkwoorden uit te dagen.

Voorbeeld: ik heb hem laten weten dat ik niet akkoord ben.

Uitdaging: hoe heb je dat precies laten weten?

Voorspelling: je zult meer informatie krijgen over de manier waarop er gecommuniceerd is (schriftelijk, mondeling, met/zonder respect, tijdstip, etc.).

 

11. vooronderstellingen
Een vooronderstelling verwijst naar een aanname die als vanzelfsprekend wordt aangenomen.

Voorbeeld: ik ga het niet nog eens proberen.

Uitdaging: heb je het al eens eerder geprobeerd?

Voorspelling: de aanname in de stelling wordt ter discussie gesteld.

 

BINNEN OF BUITEN HET WERELDMODEL
Let hierbij op: het metamodel is geen typologie. Het hangt van de situatie, het individu en het probleem af, welke uitdaging je wilt gebruiken. Als iemand naar je toe komt en zegt: “ik wil van mijn depressies af”, help je die persoon niet door hier helemaal in mee te gaan en er nog dieper op in te gaan door te vragen: “en waarover ben je veelal precies depressief?”.

Op deze manier breng je iemand nog dieper in de situatie en maak je het alleen maar erger. Tenzij je natuurlijk rapport met die persoon wil maken en samen wil filosoferen hoe zwaar het leven wel niet is. Als die persoon echter naar je toe komt met het verzoek om hem hier uit te halen, is een andere strategie beter. Je wil die persoon uit zijn wereldmodel halen. Een goede vraag zou dan bijvoorbeeld zijn: wat doe je precies wanneer je depressief bent? (Nominalisatie), of ben je altijd depressief? (Absolute uitspraak).

Melding: cookies

Wij en derden, die zich (deels) buiten de EU bevinden, maken gebruik van cookies, om de effectiviteit van advertenties te registreren en te optimaliseren, om onze website te verbeteren, om de website naar behoren te laten werken, om gepersonaliseerde advertenties te tonen op onze websites, en om het verkeer op de website te analyseren. Door op akkoord te klikken, geef je toestemming voor het plaatsen van alle cookies zoals omschreven in onze privacyverklaring.

Cookie instellingen Cookies accepteren